Typisch IJmuiden: de kanaalgravers (2)

We staan stil bij een typisch IJmuidens onderwerp aan de hand van een foto en naar aanleiding van de actualiteit, een stukje geschiedenis, een bijzondere gebeurtenis, een evenement of gewoon een van de mooie taferelen die IJmuiden biedt. In deze aflevering aandacht voor de kanaalgravers (deel 2).

Door Erik Baalbergen

In deel 1 lazen we over hoe de kanaalwerken eindelijk gaan starten en dat er voor een deel met de hand gegraven moet worden, waarvoor ‘Hollandsche polderjongens’ nodig zijn. In dit deel kijken we naar de barre omstandigheden waarin de kanaalgravers en hun gezinnen wonen, werken en leven.

Feestelijke start

Na de feestelijkheden rond de eerste spadesteek op 8 maart 1865 in de Breesaap gaan onmiddellijk ‘ruim een honderdtal Nederlandsche werklieden aan den arbeid, onder leiding en toezigt van drie Engelsche en vier Hollandsche ingenieurs en opzigters.’ In kleine krantenberichtjes is te lezen dat, na de spadesteek, de werkzaamheden zich uitbreiden en het aantal werklieden vooral de eerste maanden gestaag groeit. Na twee maanden zijn er al driehonderd arbeiders, na drie maanden al ruim vijfhonderd en weer een maand later zo’n zeshonderd.

Reuzenarbeid

Intussen verschijnen er steeds vaker berichten over stakingen uit onvrede over de loonsverlagingen, ongelijke behandeling en werkverdeling, en ontslagen om onduidelijke redenen. Anderzijds verschijnen er oproepen om de kanaalwerken te komen bezichtigen, en verslagen van bezoeken door hoogwaardigheidsbekleders en journalisten aan de kanaalwerken. De grootsheid van de werken, de inzet van groot materieel en de ‘reuzenarbeid’ verricht ‘door onze Hollandsche polderjongens’ worden geroemd. Maar de omstandigheden waaronder de kanaalgravers werken, wonen en leven komen niet aan bod. Misschien is dat te wijten aan het tijdsbeeld van die periode, het neerkijken op polderjongens en ander werkvolk?

Geene inschrijving               

In Velsen ziet men de polderwerkers als tijdelijke inwoners en ‘zwervende bendes’. In het gemeenteverslag van Velsen over 1865 lezen we dat de oorzaak van de sterke bevolkingsgroei in dat jaar ‘is gelegen in de omstandigheid van de in Maart 1865 ondernomen werken in deze gemeente aan het Noordzee-Kanaal.’ Naast de officieel geregistreerde bewoners wordt gemeld dat er ‘naar gissing, nog wel ruim 2.000 personen in deze gemeente zich tijdelijk ophouden, van welke geene inschrijving heeft plaats gehad.’

Ook meldt het verslag: ‘Voor zoo verre de verhuisbiljetten worden ingeleverd, worden de bevolkingsregisters met de meeste nauwkeurigheid bijgehouden. Alhier verdient echter opgemerkt te worden dat die gewenschte inschrijving evenwel in de regel niet kan geschieden van die klasse van menschen, bekend onder den algemeenen naam van polderwerkers; het schijnt dat de meeste dier lieden geene vaste woonplaats hebben en welligt nergens in de registers zijn ingeschreven.’

Over de puthaak

Niet alleen de bevolkingsregisters van Velsen zijn incompleet, maar ook de Velsense registers van de burgerlijke stand bevatten leemtes. Onder de kanaalgraversgemeenschap wordt een geboorte niet altijd aangegeven. Ook wordt er dikwijls ‘over de puthaak’ getrouwd: een ‘huwelijk’ wordt gesloten als het paar ten overstaan van een putbaas over een puthaak stapt. Een puthaak is een houten stok met een ijzeren haak waarmee in een put kruiplanken verlegd worden. Met de stap is het paar dan wel voor de kanaalgraversgemeenschap getrouwd, maar niet formeel voor de burgerlijke stand.

In het verslag over 1867 lezen we over de tijdelijke en niet-ingeschreven bewoners: ‘Deze personen behoorden grootendeels tot de zoogenaamde polderwerkers-gezinnen, die als zwervende benden het land afreizen en zich nu eens voor eenige dagen, weken of maanden, te Velsen, en dan weder elders op groote werken ophouden.’ Tja, dat zegt al veel over hoe men in elk geval in Velsen de kanaalgravers ziet…

Nederzettingen

De kanaalgravers verrichten het zware werk in ploegen, onder leiding van een putbaas. Ze wonen veelal in primitieve keten dicht bij de graafwerkzaamheden. Ze slapen in groepen in de keten op strozakken. Zo’n keet wordt met harde hand gerund door een keetbaas en zijn vrouw. De keetbaas verdient veel bij met drankverkoop. Na een harde werkdag lusten de werklieden immers wel een borreltje!

Sommige polderjongens komen met hun hele gezin op de kanaalwerken af. Terwijl de vrijgezellen in keten verblijven, moeten de gezinnen zelf maar een onderkomen regelen. Dat doen ze door zelf een hutje van wrakhout te bouwen of een hol te graven in de grond en deze te bedekken met takken, bladeren en gras. Op de plek waar de Zeeweg de latere Kalverstraat kruist ontstaat zo nederzetting de Heide. Maar ook in het gebied tussen de sluiswerken en de Heide ontstaan kleine nederzettingen, zoals bij de Hoogeberg en de Musschenbuurt.

Naast polderjongens trekt de kanaalgraverij ook anderen aan die op zoek naar werk en soms geluk zijn. Deze mensen zijn op een of andere manier aan lager wal geraakt en proberen met hard werken toch een boterham te verdienen. Vooral voor personen die iets op hun kerfstok hebben en gezocht worden, is zo’n groots werk een uitgelezen plek om, wellicht anoniem, toch nog wat van het leven te maken. Maar velen zijn niet gewend aan het zware werk en houden het niet lang vol in de ploegen met geoefende polderjongens, zodat ze worden ontslagen en ze hun heil elders moeten zoeken.

Drankrekeningen

De kanaalwerkers krijgen hun loon uitbetaald in de keet of de kroeg. Daarbij moeten schulden worden afgelost en openstaande drankrekeningen worden betaald, en natuurlijk moet er een borreltje bij gedronken worden. Niet zelden verdwijnt een groot deel van het schamele loon van de harde werkers in de zakken van keetbazen en drankverkopers. Huisvaders hebben dan toch wel een en ander uit te leggen aan moeders de vrouw. Sparen voor slechtere tijden is er niet of nauwelijks bij…

Het is, vooral naar de huidige maatstaven, nauwelijks voor te stellen onder welke omstandigheden de kanaalgravers en hun gezinnen leven en moeten leven. Volgens bewoners van het dorp Velsen leven deze vreemdelingen hier als in Sodom en Gomorra. Romans als ‘De Woede van Abraham’ van Conny Braam en ‘De Duinpieper’ van Caroline Zegerman geven een kijkje in het leven van de kanaalgravers. Ook zijn beschrijvingen te vinden in boeken over de geschiedenis van IJmuiden, zoals in ‘Bles voor de Kop’ van C. van Es, ‘Eene Plaats van Grooten Omvang’ van Theun de Vries, Dick Schaap en Siebe Rolle, en in de boekjes ‘De Heide, de School en de Meester’ en ‘Losse herinneringen aan IJmuiden’s verleden’ van F.P Vermeulen, zoon van Pieter Vermeulen.

In deel 3 lezen we dat een van de aangekondigde loonsverlagingen zelfs tot een opstand leidt en dat er gelukkig toch enkelen zijn die zich het lot van de kanaalgravers aantrekken.

Op de afbeelding:
Aanleg van het Noordzeekanaal, 1865. Kleurenlitho naar gravure van Johan Conrad Greive jr. (Noord-Hollands Archief / Beeldcollectie van de gemeente Velsen, inv.nr. 21573)